Vervoeging van aanlokken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik lok aan
    • jij lokt aan
    • hij/zij/het lokt aan
    • wij lokken aan
    • jullie lokken aan
    • zij lokken aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik lokte aan
    • jij lokte aan
    • hij/zij/het lokte aan
    • wij lokten aan
    • jullie lokten aan
    • zij lokten aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangelokt
    • jij hebt aangelokt
    • hij/zij/het heeft aangelokt
    • wij hebben aangelokt
    • jullie hebben aangelokt
    • zij hebben aangelokt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangelokt
    • jij had aangelokt
    • hij/zij/het had aangelokt
    • wij hadden aangelokt
    • jullie hadden aangelokt
    • zij hadden aangelokt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanlokken
    • jij zult aanlokken
    • hij/zij/het zal aanlokken
    • wij zullen aanlokken
    • jullie zullen aanlokken
    • zij zullen aanlokken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangelokt hebben
    • jij zult aangelokt hebben
    • hij/zij/het zal aangelokt hebben
    • wij zullen aangelokt hebben
    • jullie zullen aangelokt hebben
    • zij zullen aangelokt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanlokken
    • jij zou aanlokken
    • hij/zij/het zou aanlokken
    • wij zouden aanlokken
    • jullie zouden aanlokken
    • zij zouden aanlokken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangelokt
    • jij zou hebben aangelokt
    • hij/zij/het zou hebben aangelokt
    • wij zouden hebben aangelokt
    • jullie zouden hebben aangelokt
    • zij zouden hebben aangelokt
  • Imperatief

    • jij lok aan
    • jullie lokt aan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanlokken