Vervoeging van aanschaffen

Onbepaalde wijs (infinitief): aanschaffen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schaf aan
    • jij schaft aan
    • hij/zij/het schaft aan
    • wij schaffen aan
    • jullie schaffen aan
    • zij schaffen aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schafte aan
    • jij schafte aan
    • hij/zij/het schafte aan
    • wij schaften aan
    • jullie schaften aan
    • zij schaften aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangeschaft
    • jij hebt aangeschaft
    • hij/zij/het heeft aangeschaft
    • wij hebben aangeschaft
    • jullie hebben aangeschaft
    • zij hebben aangeschaft
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangeschaft
    • jij had aangeschaft
    • hij/zij/het had aangeschaft
    • wij hadden aangeschaft
    • jullie hadden aangeschaft
    • zij hadden aangeschaft
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanschaffen
    • jij zult aanschaffen
    • hij/zij/het zal aanschaffen
    • wij zullen aanschaffen
    • jullie zullen aanschaffen
    • zij zullen aanschaffen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangeschaft hebben
    • jij zult aangeschaft hebben
    • hij/zij/het zal aangeschaft hebben
    • wij zullen aangeschaft hebben
    • jullie zullen aangeschaft hebben
    • zij zullen aangeschaft hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanschaffen
    • jij zou aanschaffen
    • hij/zij/het zou aanschaffen
    • wij zouden aanschaffen
    • jullie zouden aanschaffen
    • zij zouden aanschaffen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangeschaft
    • jij zou hebben aangeschaft
    • hij/zij/het zou hebben aangeschaft
    • wij zouden hebben aangeschaft
    • jullie zouden hebben aangeschaft
    • zij zouden hebben aangeschaft
  • Imperatief

    • jij schaf aan
    • jullie schaft aan

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanschaffen