Vervoeging van aantreffen

Onbepaalde wijs (infinitief): aantreffen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik tref aan
    • jij treft aan
    • hij/zij/het treft aan
    • wij treffen aan
    • jullie treffen aan
    • zij treffen aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik trof aan
    • jij trof aan
    • hij/zij/het trof aan
    • wij troffen aan
    • jullie troffen aan
    • zij troffen aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangetroffen
    • jij hebt aangetroffen
    • hij/zij/het heeft aangetroffen
    • wij hebben aangetroffen
    • jullie hebben aangetroffen
    • zij hebben aangetroffen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangetroffen
    • jij had aangetroffen
    • hij/zij/het had aangetroffen
    • wij hadden aangetroffen
    • jullie hadden aangetroffen
    • zij hadden aangetroffen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aantreffen
    • jij zult aantreffen
    • hij/zij/het zal aantreffen
    • wij zullen aantreffen
    • jullie zullen aantreffen
    • zij zullen aantreffen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangetroffen hebben
    • jij zult aangetroffen hebben
    • hij/zij/het zal aangetroffen hebben
    • wij zullen aangetroffen hebben
    • jullie zullen aangetroffen hebben
    • zij zullen aangetroffen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aantreffen
    • jij zou aantreffen
    • hij/zij/het zou aantreffen
    • wij zouden aantreffen
    • jullie zouden aantreffen
    • zij zouden aantreffen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangetroffen
    • jij zou hebben aangetroffen
    • hij/zij/het zou hebben aangetroffen
    • wij zouden hebben aangetroffen
    • jullie zouden hebben aangetroffen
    • zij zouden hebben aangetroffen

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aantreffen