Vervoeging van aflossen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik los af
    • jij lost af
    • hij/zij/het lost af
    • wij lossen af
    • jullie lossen af
    • zij lossen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik loste af
    • jij loste af
    • hij/zij/het loste af
    • wij losten af
    • jullie losten af
    • zij losten af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgelost
    • jij hebt afgelost
    • hij/zij/het heeft afgelost
    • wij hebben afgelost
    • jullie hebben afgelost
    • zij hebben afgelost
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgelost
    • jij had afgelost
    • hij/zij/het had afgelost
    • wij hadden afgelost
    • jullie hadden afgelost
    • zij hadden afgelost
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aflossen
    • jij zult aflossen
    • hij/zij/het zal aflossen
    • wij zullen aflossen
    • jullie zullen aflossen
    • zij zullen aflossen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgelost hebben
    • jij zult afgelost hebben
    • hij/zij/het zal afgelost hebben
    • wij zullen afgelost hebben
    • jullie zullen afgelost hebben
    • zij zullen afgelost hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aflossen
    • jij zou aflossen
    • hij/zij/het zou aflossen
    • wij zouden aflossen
    • jullie zouden aflossen
    • zij zouden aflossen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgelost
    • jij zou hebben afgelost
    • hij/zij/het zou hebben afgelost
    • wij zouden hebben afgelost
    • jullie zouden hebben afgelost
    • zij zouden hebben afgelost
  • Imperatief

    • jij los af
    • jullie lost af

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van aflossen