Vervoeging van afnemen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik neem af
    • jij neemt af
    • hij/zij/het neemt af
    • wij nemen af
    • jullie nemen af
    • zij nemen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik nam af
    • jij nam af
    • hij/zij/het nam af
    • wij namen af
    • jullie namen af
    • zij namen af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgenomen
    • jij hebt afgenomen
    • hij/zij/het heeft afgenomen
    • wij hebben afgenomen
    • jullie hebben afgenomen
    • zij hebben afgenomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgenomen
    • jij had afgenomen
    • hij/zij/het had afgenomen
    • wij hadden afgenomen
    • jullie hadden afgenomen
    • zij hadden afgenomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afnemen
    • jij zult afnemen
    • hij/zij/het zal afnemen
    • wij zullen afnemen
    • jullie zullen afnemen
    • zij zullen afnemen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgenomen hebben
    • jij zult afgenomen hebben
    • hij/zij/het zal afgenomen hebben
    • wij zullen afgenomen hebben
    • jullie zullen afgenomen hebben
    • zij zullen afgenomen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afnemen
    • jij zou afnemen
    • hij/zij/het zou afnemen
    • wij zouden afnemen
    • jullie zouden afnemen
    • zij zouden afnemen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgenomen
    • jij zou hebben afgenomen
    • hij/zij/het zou hebben afgenomen
    • wij zouden hebben afgenomen
    • jullie zouden hebben afgenomen
    • zij zouden hebben afgenomen
  • Imperatief

    • jij neem af
    • jullie neemt af

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van afnemen