Vervoeging van afspelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik speel af
    • jij speelt af
    • hij/zij/het speelt af
    • wij spelen af
    • jullie spelen af
    • zij spelen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik speelde af
    • jij speelde af
    • hij/zij/het speelde af
    • wij speelden af
    • jullie speelden af
    • zij speelden af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgespeeld
    • jij hebt afgespeeld
    • hij/zij/het heeft afgespeeld
    • wij hebben afgespeeld
    • jullie hebben afgespeeld
    • zij hebben afgespeeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgespeeld
    • jij had afgespeeld
    • hij/zij/het had afgespeeld
    • wij hadden afgespeeld
    • jullie hadden afgespeeld
    • zij hadden afgespeeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afspelen
    • jij zult afspelen
    • hij/zij/het zal afspelen
    • wij zullen afspelen
    • jullie zullen afspelen
    • zij zullen afspelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgespeeld hebben
    • jij zult afgespeeld hebben
    • hij/zij/het zal afgespeeld hebben
    • wij zullen afgespeeld hebben
    • jullie zullen afgespeeld hebben
    • zij zullen afgespeeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afspelen
    • jij zou afspelen
    • hij/zij/het zou afspelen
    • wij zouden afspelen
    • jullie zouden afspelen
    • zij zouden afspelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgespeeld
    • jij zou hebben afgespeeld
    • hij/zij/het zou hebben afgespeeld
    • wij zouden hebben afgespeeld
    • jullie zouden hebben afgespeeld
    • zij zouden hebben afgespeeld
  • Imperatief

    • jij speel af
    • jullie speelt af

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van afspelen