Vervoeging van bedienen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bedien
    • jij bedient
    • hij/zij/het bedient
    • wij bedienen
    • jullie bedienen
    • zij bedienen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bediende
    • jij bediende
    • hij/zij/het bediende
    • wij bedienden
    • jullie bedienden
    • zij bedienden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bediend
    • jij hebt bediend
    • hij/zij/het heeft bediend
    • wij hebben bediend
    • jullie hebben bediend
    • zij hebben bediend
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bediend
    • jij had bediend
    • hij/zij/het had bediend
    • wij hadden bediend
    • jullie hadden bediend
    • zij hadden bediend
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bedienen
    • jij zult bedienen
    • hij/zij/het zal bedienen
    • wij zullen bedienen
    • jullie zullen bedienen
    • zij zullen bedienen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bediend hebben
    • jij zult bediend hebben
    • hij/zij/het zal bediend hebben
    • wij zullen bediend hebben
    • jullie zullen bediend hebben
    • zij zullen bediend hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bedienen
    • jij zou bedienen
    • hij/zij/het zou bedienen
    • wij zouden bedienen
    • jullie zouden bedienen
    • zij zouden bedienen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bediend
    • jij zou hebben bediend
    • hij/zij/het zou hebben bediend
    • wij zouden hebben bediend
    • jullie zouden hebben bediend
    • zij zouden hebben bediend
  • Imperatief

    • jij bedien
    • jullie bedient

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van bedienen