Vervoeging van bedruipen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bedruip
    • jij bedruipt
    • hij/zij/het bedruipt
    • wij bedruipen
    • jullie bedruipen
    • zij bedruipen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bedroop
    • jij bedroop
    • hij/zij/het bedroop
    • wij bedropen
    • jullie bedropen
    • zij bedropen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bedropen
    • jij hebt bedropen
    • hij/zij/het heeft bedropen
    • wij hebben bedropen
    • jullie hebben bedropen
    • zij hebben bedropen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bedropen
    • jij had bedropen
    • hij/zij/het had bedropen
    • wij hadden bedropen
    • jullie hadden bedropen
    • zij hadden bedropen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bedruipen
    • jij zult bedruipen
    • hij/zij/het zal bedruipen
    • wij zullen bedruipen
    • jullie zullen bedruipen
    • zij zullen bedruipen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bedropen hebben
    • jij zult bedropen hebben
    • hij/zij/het zal bedropen hebben
    • wij zullen bedropen hebben
    • jullie zullen bedropen hebben
    • zij zullen bedropen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bedruipen
    • jij zou bedruipen
    • hij/zij/het zou bedruipen
    • wij zouden bedruipen
    • jullie zouden bedruipen
    • zij zouden bedruipen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bedropen
    • jij zou hebben bedropen
    • hij/zij/het zou hebben bedropen
    • wij zouden hebben bedropen
    • jullie zouden hebben bedropen
    • zij zouden hebben bedropen
  • Imperatief

    • jij bedruip
    • jullie bedruipt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van bedruipen