Vervoeging van benadrukken

Onbepaalde wijs (infinitief): benadrukken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik benadruk
    • jij benadrukt
    • hij/zij/het benadrukt
    • wij benadrukken
    • jullie benadrukken
    • zij benadrukken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik benadrukte
    • jij benadrukte
    • hij/zij/het benadrukte
    • wij benadrukten
    • jullie benadrukten
    • zij benadrukten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb benadrukt
    • jij hebt benadrukt
    • hij/zij/het heeft benadrukt
    • wij hebben benadrukt
    • jullie hebben benadrukt
    • zij hebben benadrukt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had benadrukt
    • jij had benadrukt
    • hij/zij/het had benadrukt
    • wij hadden benadrukt
    • jullie hadden benadrukt
    • zij hadden benadrukt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal benadrukken
    • jij zult benadrukken
    • hij/zij/het zal benadrukken
    • wij zullen benadrukken
    • jullie zullen benadrukken
    • zij zullen benadrukken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal benadrukt hebben
    • jij zult benadrukt hebben
    • hij/zij/het zal benadrukt hebben
    • wij zullen benadrukt hebben
    • jullie zullen benadrukt hebben
    • zij zullen benadrukt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou benadrukken
    • jij zou benadrukken
    • hij/zij/het zou benadrukken
    • wij zouden benadrukken
    • jullie zouden benadrukken
    • zij zouden benadrukken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben benadrukt
    • jij zou hebben benadrukt
    • hij/zij/het zou hebben benadrukt
    • wij zouden hebben benadrukt
    • jullie zouden hebben benadrukt
    • zij zouden hebben benadrukt
  • Imperatief

    • jij benadruk
    • jullie benadrukt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van benadrukken