Vervoeging van bestrijken

Onbepaalde wijs (infinitief): bestrijken
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bestrijk
    • jij bestrijkt
    • hij/zij/het bestrijkt
    • wij bestrijken
    • jullie bestrijken
    • zij bestrijken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bestreek
    • jij bestreek
    • hij/zij/het bestreek
    • wij bestreken
    • jullie bestreken
    • zij bestreken
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bestreken
    • jij hebt bestreken
    • hij/zij/het heeft bestreken
    • wij hebben bestreken
    • jullie hebben bestreken
    • zij hebben bestreken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bestreken
    • jij had bestreken
    • hij/zij/het had bestreken
    • wij hadden bestreken
    • jullie hadden bestreken
    • zij hadden bestreken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bestrijken
    • jij zult bestrijken
    • hij/zij/het zal bestrijken
    • wij zullen bestrijken
    • jullie zullen bestrijken
    • zij zullen bestrijken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bestreken hebben
    • jij zult bestreken hebben
    • hij/zij/het zal bestreken hebben
    • wij zullen bestreken hebben
    • jullie zullen bestreken hebben
    • zij zullen bestreken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bestrijken
    • jij zou bestrijken
    • hij/zij/het zou bestrijken
    • wij zouden bestrijken
    • jullie zouden bestrijken
    • zij zouden bestrijken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bestreken
    • jij zou hebben bestreken
    • hij/zij/het zou hebben bestreken
    • wij zouden hebben bestreken
    • jullie zouden hebben bestreken
    • zij zouden hebben bestreken
  • Imperatief

    • jij bestrijk
    • jullie bestrijkt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van bestrijken