Vervoeging van besturen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bestuur
    • jij bestuurt
    • hij/zij/het bestuurt
    • wij besturen
    • jullie besturen
    • zij besturen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bestuurde
    • jij bestuurde
    • hij/zij/het bestuurde
    • wij bestuurden
    • jullie bestuurden
    • zij bestuurden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bestuurd
    • jij hebt bestuurd
    • hij/zij/het heeft bestuurd
    • wij hebben bestuurd
    • jullie hebben bestuurd
    • zij hebben bestuurd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bestuurd
    • jij had bestuurd
    • hij/zij/het had bestuurd
    • wij hadden bestuurd
    • jullie hadden bestuurd
    • zij hadden bestuurd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal besturen
    • jij zult besturen
    • hij/zij/het zal besturen
    • wij zullen besturen
    • jullie zullen besturen
    • zij zullen besturen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bestuurd hebben
    • jij zult bestuurd hebben
    • hij/zij/het zal bestuurd hebben
    • wij zullen bestuurd hebben
    • jullie zullen bestuurd hebben
    • zij zullen bestuurd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou besturen
    • jij zou besturen
    • hij/zij/het zou besturen
    • wij zouden besturen
    • jullie zouden besturen
    • zij zouden besturen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bestuurd
    • jij zou hebben bestuurd
    • hij/zij/het zou hebben bestuurd
    • wij zouden hebben bestuurd
    • jullie zouden hebben bestuurd
    • zij zouden hebben bestuurd
  • Imperatief

    • jij bestuur
    • jullie bestuurt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van besturen