Vervoeging van betrekken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik betrek
    • jij betrekt
    • hij/zij/het betrekt
    • wij betrekken
    • jullie betrekken
    • zij betrekken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik betrok
    • jij betrok
    • hij/zij/het betrok
    • wij betrokken
    • jullie betrokken
    • zij betrokken
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb betrokken
    • jij hebt betrokken
    • hij/zij/het heeft betrokken
    • wij hebben betrokken
    • jullie hebben betrokken
    • zij hebben betrokken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had betrokken
    • jij had betrokken
    • hij/zij/het had betrokken
    • wij hadden betrokken
    • jullie hadden betrokken
    • zij hadden betrokken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal betrekken
    • jij zult betrekken
    • hij/zij/het zal betrekken
    • wij zullen betrekken
    • jullie zullen betrekken
    • zij zullen betrekken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal betrokken hebben
    • jij zult betrokken hebben
    • hij/zij/het zal betrokken hebben
    • wij zullen betrokken hebben
    • jullie zullen betrokken hebben
    • zij zullen betrokken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou betrekken
    • jij zou betrekken
    • hij/zij/het zou betrekken
    • wij zouden betrekken
    • jullie zouden betrekken
    • zij zouden betrekken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben betrokken
    • jij zou hebben betrokken
    • hij/zij/het zou hebben betrokken
    • wij zouden hebben betrokken
    • jullie zouden hebben betrokken
    • zij zouden hebben betrokken
  • Imperatief

    • jij betrek
    • jullie betrekt

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van betrekken