Vervoeging van bezetten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bezet
    • jij bezet
    • hij/zij/het bezet
    • wij bezetten
    • jullie bezetten
    • zij bezetten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bezette
    • jij bezette
    • hij/zij/het bezette
    • wij bezetten
    • jullie bezetten
    • zij bezetten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bezet
    • jij hebt bezet
    • hij/zij/het heeft bezet
    • wij hebben bezet
    • jullie hebben bezet
    • zij hebben bezet
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bezet
    • jij had bezet
    • hij/zij/het had bezet
    • wij hadden bezet
    • jullie hadden bezet
    • zij hadden bezet
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bezetten
    • jij zult bezetten
    • hij/zij/het zal bezetten
    • wij zullen bezetten
    • jullie zullen bezetten
    • zij zullen bezetten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bezet hebben
    • jij zult bezet hebben
    • hij/zij/het zal bezet hebben
    • wij zullen bezet hebben
    • jullie zullen bezet hebben
    • zij zullen bezet hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bezetten
    • jij zou bezetten
    • hij/zij/het zou bezetten
    • wij zouden bezetten
    • jullie zouden bezetten
    • zij zouden bezetten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bezet
    • jij zou hebben bezet
    • hij/zij/het zou hebben bezet
    • wij zouden hebben bezet
    • jullie zouden hebben bezet
    • zij zouden hebben bezet
  • Imperatief

    • jij bezet
    • jullie bezet

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van bezetten