Vervoeging van bezweren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bezweer
    • jij bezweert
    • hij/zij/het bezweert
    • wij bezweren
    • jullie bezweren
    • zij bezweren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bezwoer
    • jij bezwoer
    • hij/zij/het bezwoer
    • wij bezwoeren
    • jullie bezwoeren
    • zij bezwoeren
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bezworen
    • jij hebt bezworen
    • hij/zij/het heeft bezworen
    • wij hebben bezworen
    • jullie hebben bezworen
    • zij hebben bezworen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bezworen
    • jij had bezworen
    • hij/zij/het had bezworen
    • wij hadden bezworen
    • jullie hadden bezworen
    • zij hadden bezworen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bezweren
    • jij zult bezweren
    • hij/zij/het zal bezweren
    • wij zullen bezweren
    • jullie zullen bezweren
    • zij zullen bezweren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bezworen hebben
    • jij zult bezworen hebben
    • hij/zij/het zal bezworen hebben
    • wij zullen bezworen hebben
    • jullie zullen bezworen hebben
    • zij zullen bezworen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bezweren
    • jij zou bezweren
    • hij/zij/het zou bezweren
    • wij zouden bezweren
    • jullie zouden bezweren
    • zij zouden bezweren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bezworen
    • jij zou hebben bezworen
    • hij/zij/het zou hebben bezworen
    • wij zouden hebben bezworen
    • jullie zouden hebben bezworen
    • zij zouden hebben bezworen
  • Imperatief

    • jij bezweer
    • jullie bezweert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van bezweren