Vervoeging van binnenkomen

Onbepaalde wijs (infinitief): binnenkomen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kom binnen
    • jij komt binnen
    • hij/zij/het komt binnen
    • wij komen binnen
    • jullie komen binnen
    • zij komen binnen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kwam binnen
    • jij kwam binnen
    • hij/zij/het kwam binnen
    • wij kwamen binnen
    • jullie kwamen binnen
    • zij kwamen binnen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben binnengekomen
    • jij bent binnengekomen
    • hij/zij/het is binnengekomen
    • wij zijn binnengekomen
    • jullie zijn binnengekomen
    • zij zijn binnengekomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was binnengekomen
    • jij was binnengekomen
    • hij/zij/het was binnengekomen
    • wij waren binnengekomen
    • jullie waren binnengekomen
    • zij waren binnengekomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal binnenkomen
    • jij zult binnenkomen
    • hij/zij/het zal binnenkomen
    • wij zullen binnenkomen
    • jullie zullen binnenkomen
    • zij zullen binnenkomen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal binnengekomen zijn
    • jij zult binnengekomen zijn
    • hij/zij/het zal binnengekomen zijn
    • wij zullen binnengekomen zijn
    • jullie zullen binnengekomen zijn
    • zij zullen binnengekomen zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou binnenkomen
    • jij zou binnenkomen
    • hij/zij/het zou binnenkomen
    • wij zouden binnenkomen
    • jullie zouden binnenkomen
    • zij zouden binnenkomen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn binnengekomen
    • jij zou zijn binnengekomen
    • hij/zij/het zou zijn binnengekomen
    • wij zouden zijn binnengekomen
    • jullie zouden zijn binnengekomen
    • zij zouden zijn binnengekomen
  • Imperatief

    • jij kom binnen
    • jullie komt binnen

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van binnenkomen