Vervoeging van blanketten

Onbepaalde wijs (infinitief): blanketten
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik blanket
    • jij blanket
    • hij/zij/het blanket
    • wij blanketten
    • jullie blanketten
    • zij blanketten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik blankette
    • jij blankette
    • hij/zij/het blankette
    • wij blanketten
    • jullie blanketten
    • zij blanketten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geblanket
    • jij hebt geblanket
    • hij/zij/het heeft geblanket
    • wij hebben geblanket
    • jullie hebben geblanket
    • zij hebben geblanket
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geblanket
    • jij had geblanket
    • hij/zij/het had geblanket
    • wij hadden geblanket
    • jullie hadden geblanket
    • zij hadden geblanket
  • Toekomende tijd I

    • ik zal blanketten
    • jij zult blanketten
    • hij/zij/het zal blanketten
    • wij zullen blanketten
    • jullie zullen blanketten
    • zij zullen blanketten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geblanket hebben
    • jij zult geblanket hebben
    • hij/zij/het zal geblanket hebben
    • wij zullen geblanket hebben
    • jullie zullen geblanket hebben
    • zij zullen geblanket hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou blanketten
    • jij zou blanketten
    • hij/zij/het zou blanketten
    • wij zouden blanketten
    • jullie zouden blanketten
    • zij zouden blanketten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geblanket
    • jij zou hebben geblanket
    • hij/zij/het zou hebben geblanket
    • wij zouden hebben geblanket
    • jullie zouden hebben geblanket
    • zij zouden hebben geblanket
  • Imperatief

    • jij blanket
    • jullie blanket