Vervoeging van brommen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik brom
    • jij bromt
    • hij/zij/het bromt
    • wij brommen
    • jullie brommen
    • zij brommen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bromde
    • jij bromde
    • hij/zij/het bromde
    • wij bromden
    • jullie bromden
    • zij bromden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebromd
    • jij hebt gebromd
    • hij/zij/het heeft gebromd
    • wij hebben gebromd
    • jullie hebben gebromd
    • zij hebben gebromd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebromd
    • jij had gebromd
    • hij/zij/het had gebromd
    • wij hadden gebromd
    • jullie hadden gebromd
    • zij hadden gebromd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal brommen
    • jij zult brommen
    • hij/zij/het zal brommen
    • wij zullen brommen
    • jullie zullen brommen
    • zij zullen brommen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebromd hebben
    • jij zult gebromd hebben
    • hij/zij/het zal gebromd hebben
    • wij zullen gebromd hebben
    • jullie zullen gebromd hebben
    • zij zullen gebromd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou brommen
    • jij zou brommen
    • hij/zij/het zou brommen
    • wij zouden brommen
    • jullie zouden brommen
    • zij zouden brommen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebromd
    • jij zou hebben gebromd
    • hij/zij/het zou hebben gebromd
    • wij zouden hebben gebromd
    • jullie zouden hebben gebromd
    • zij zouden hebben gebromd
  • Imperatief

    • jij brom
    • jullie bromt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van brommen