Vervoeging van coachen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik coach
    • jij coacht
    • hij/zij/het coacht
    • wij coachen
    • jullie coachen
    • zij coachen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik coachte
    • jij coachte
    • hij/zij/het coachte
    • wij coachten
    • jullie coachten
    • zij coachten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gecoacht
    • jij hebt gecoacht
    • hij/zij/het heeft gecoacht
    • wij hebben gecoacht
    • jullie hebben gecoacht
    • zij hebben gecoacht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gecoacht
    • jij had gecoacht
    • hij/zij/het had gecoacht
    • wij hadden gecoacht
    • jullie hadden gecoacht
    • zij hadden gecoacht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal coachen
    • jij zult coachen
    • hij/zij/het zal coachen
    • wij zullen coachen
    • jullie zullen coachen
    • zij zullen coachen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gecoacht hebben
    • jij zult gecoacht hebben
    • hij/zij/het zal gecoacht hebben
    • wij zullen gecoacht hebben
    • jullie zullen gecoacht hebben
    • zij zullen gecoacht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou coachen
    • jij zou coachen
    • hij/zij/het zou coachen
    • wij zouden coachen
    • jullie zouden coachen
    • zij zouden coachen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gecoacht
    • jij zou hebben gecoacht
    • hij/zij/het zou hebben gecoacht
    • wij zouden hebben gecoacht
    • jullie zouden hebben gecoacht
    • zij zouden hebben gecoacht
  • Imperatief

    • jij coach
    • jullie coacht

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van coachen