Vervoeging van declareren

Onbepaalde wijs (infinitief): declareren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik declareer
    • jij declareert
    • hij/zij/het declareert
    • wij declareren
    • jullie declareren
    • zij declareren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik declareerde
    • jij declareerde
    • hij/zij/het declareerde
    • wij declareerden
    • jullie declareerden
    • zij declareerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedeclareerd
    • jij hebt gedeclareerd
    • hij/zij/het heeft gedeclareerd
    • wij hebben gedeclareerd
    • jullie hebben gedeclareerd
    • zij hebben gedeclareerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedeclareerd
    • jij had gedeclareerd
    • hij/zij/het had gedeclareerd
    • wij hadden gedeclareerd
    • jullie hadden gedeclareerd
    • zij hadden gedeclareerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal declareren
    • jij zult declareren
    • hij/zij/het zal declareren
    • wij zullen declareren
    • jullie zullen declareren
    • zij zullen declareren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedeclareerd hebben
    • jij zult gedeclareerd hebben
    • hij/zij/het zal gedeclareerd hebben
    • wij zullen gedeclareerd hebben
    • jullie zullen gedeclareerd hebben
    • zij zullen gedeclareerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou declareren
    • jij zou declareren
    • hij/zij/het zou declareren
    • wij zouden declareren
    • jullie zouden declareren
    • zij zouden declareren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedeclareerd
    • jij zou hebben gedeclareerd
    • hij/zij/het zou hebben gedeclareerd
    • wij zouden hebben gedeclareerd
    • jullie zouden hebben gedeclareerd
    • zij zouden hebben gedeclareerd
  • Imperatief

    • jij declareer
    • jullie declareert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van declareren