Vervoeging van doen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik doe
    • jij doet
    • hij/zij/het doet
    • wij doen
    • jullie doen
    • zij doen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik deed
    • jij deed
    • hij/zij/het deed
    • wij deden
    • jullie deden
    • zij deden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedaan
    • jij hebt gedaan
    • hij/zij/het heeft gedaan
    • wij hebben gedaan
    • jullie hebben gedaan
    • zij hebben gedaan
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedaan
    • jij had gedaan
    • hij/zij/het had gedaan
    • wij hadden gedaan
    • jullie hadden gedaan
    • zij hadden gedaan
  • Toekomende tijd I

    • ik zal doen
    • jij zult doen
    • hij/zij/het zal doen
    • wij zullen doen
    • jullie zullen doen
    • zij zullen doen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedaan hebben
    • jij zult gedaan hebben
    • hij/zij/het zal gedaan hebben
    • wij zullen gedaan hebben
    • jullie zullen gedaan hebben
    • zij zullen gedaan hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou doen
    • jij zou doen
    • hij/zij/het zou doen
    • wij zouden doen
    • jullie zouden doen
    • zij zouden doen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedaan
    • jij zou hebben gedaan
    • hij/zij/het zou hebben gedaan
    • wij zouden hebben gedaan
    • jullie zouden hebben gedaan
    • zij zouden hebben gedaan
  • Imperatief

    • jij doe
    • jullie doet

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van doen