Vervoeging van doortrekken

Onbepaalde wijs (infinitief): doortrekken

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik doortrek
    • jij doortrekt
    • hij/zij/het doortrekt
    • wij doortrekken
    • jullie doortrekken
    • zij doortrekken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik doortrok
    • jij doortrok
    • hij/zij/het doortrok
    • wij doortrokken
    • jullie doortrokken
    • zij doortrokken
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb doortrokken
    • jij hebt doortrokken
    • hij/zij/het heeft doortrokken
    • wij hebben doortrokken
    • jullie hebben doortrokken
    • zij hebben doortrokken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had doortrokken
    • jij had doortrokken
    • hij/zij/het had doortrokken
    • wij hadden doortrokken
    • jullie hadden doortrokken
    • zij hadden doortrokken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal doortrekken
    • jij zult doortrekken
    • hij/zij/het zal doortrekken
    • wij zullen doortrekken
    • jullie zullen doortrekken
    • zij zullen doortrekken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal doortrokken hebben
    • jij zult doortrokken hebben
    • hij/zij/het zal doortrokken hebben
    • wij zullen doortrokken hebben
    • jullie zullen doortrokken hebben
    • zij zullen doortrokken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou doortrekken
    • jij zou doortrekken
    • hij/zij/het zou doortrekken
    • wij zouden doortrekken
    • jullie zouden doortrekken
    • zij zouden doortrekken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben doortrokken
    • jij zou hebben doortrokken
    • hij/zij/het zou hebben doortrokken
    • wij zouden hebben doortrokken
    • jullie zouden hebben doortrokken
    • zij zouden hebben doortrokken
  • Imperatief

    • jij doortrek
    • jullie doortrekt

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van doortrekken