Vervoeging van draaien


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik draai
    • jij draait
    • hij/zij/het draait
    • wij draaien
    • jullie draaien
    • zij draaien
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik draaide
    • jij draaide
    • hij/zij/het draaide
    • wij draaiden
    • jullie draaiden
    • zij draaiden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedraaid
    • jij hebt gedraaid
    • hij/zij/het heeft gedraaid
    • wij hebben gedraaid
    • jullie hebben gedraaid
    • zij hebben gedraaid
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedraaid
    • jij had gedraaid
    • hij/zij/het had gedraaid
    • wij hadden gedraaid
    • jullie hadden gedraaid
    • zij hadden gedraaid
  • Toekomende tijd I

    • ik zal draaien
    • jij zult draaien
    • hij/zij/het zal draaien
    • wij zullen draaien
    • jullie zullen draaien
    • zij zullen draaien
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedraaid hebben
    • jij zult gedraaid hebben
    • hij/zij/het zal gedraaid hebben
    • wij zullen gedraaid hebben
    • jullie zullen gedraaid hebben
    • zij zullen gedraaid hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou draaien
    • jij zou draaien
    • hij/zij/het zou draaien
    • wij zouden draaien
    • jullie zouden draaien
    • zij zouden draaien
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedraaid
    • jij zou hebben gedraaid
    • hij/zij/het zou hebben gedraaid
    • wij zouden hebben gedraaid
    • jullie zouden hebben gedraaid
    • zij zouden hebben gedraaid
  • Imperatief

    • jij draai
    • jullie draait

Verwijzingen

Bekijk 11 definitie(s) van draaien