Vervoeging van dweilen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik dweil
    • jij dweilt
    • hij/zij/het dweilt
    • wij dweilen
    • jullie dweilen
    • zij dweilen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik dweilde
    • jij dweilde
    • hij/zij/het dweilde
    • wij dweilden
    • jullie dweilden
    • zij dweilden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedweild
    • jij hebt gedweild
    • hij/zij/het heeft gedweild
    • wij hebben gedweild
    • jullie hebben gedweild
    • zij hebben gedweild
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedweild
    • jij had gedweild
    • hij/zij/het had gedweild
    • wij hadden gedweild
    • jullie hadden gedweild
    • zij hadden gedweild
  • Toekomende tijd I

    • ik zal dweilen
    • jij zult dweilen
    • hij/zij/het zal dweilen
    • wij zullen dweilen
    • jullie zullen dweilen
    • zij zullen dweilen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedweild hebben
    • jij zult gedweild hebben
    • hij/zij/het zal gedweild hebben
    • wij zullen gedweild hebben
    • jullie zullen gedweild hebben
    • zij zullen gedweild hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou dweilen
    • jij zou dweilen
    • hij/zij/het zou dweilen
    • wij zouden dweilen
    • jullie zouden dweilen
    • zij zouden dweilen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedweild
    • jij zou hebben gedweild
    • hij/zij/het zou hebben gedweild
    • wij zouden hebben gedweild
    • jullie zouden hebben gedweild
    • zij zouden hebben gedweild
  • Imperatief

    • jij dweil
    • jullie dweilt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van dweilen