Vervoeging van engageren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik engageer
    • jij engageert
    • hij/zij/het engageert
    • wij engageren
    • jullie engageren
    • zij engageren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik engageerde
    • jij engageerde
    • hij/zij/het engageerde
    • wij engageerden
    • jullie engageerden
    • zij engageerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geëngageerd
    • jij hebt geëngageerd
    • hij/zij/het heeft geëngageerd
    • wij hebben geëngageerd
    • jullie hebben geëngageerd
    • zij hebben geëngageerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geëngageerd
    • jij had geëngageerd
    • hij/zij/het had geëngageerd
    • wij hadden geëngageerd
    • jullie hadden geëngageerd
    • zij hadden geëngageerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal engageren
    • jij zult engageren
    • hij/zij/het zal engageren
    • wij zullen engageren
    • jullie zullen engageren
    • zij zullen engageren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geëngageerd hebben
    • jij zult geëngageerd hebben
    • hij/zij/het zal geëngageerd hebben
    • wij zullen geëngageerd hebben
    • jullie zullen geëngageerd hebben
    • zij zullen geëngageerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou engageren
    • jij zou engageren
    • hij/zij/het zou engageren
    • wij zouden engageren
    • jullie zouden engageren
    • zij zouden engageren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geëngageerd
    • jij zou hebben geëngageerd
    • hij/zij/het zou hebben geëngageerd
    • wij zouden hebben geëngageerd
    • jullie zouden hebben geëngageerd
    • zij zouden hebben geëngageerd
  • Imperatief

    • jij engageer
    • jullie engageert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van engageren