Vervoeging van expediëren

Onbepaalde wijs (infinitief): expediëren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik expedieer
    • jij expedieert
    • hij/zij/het expedieert
    • wij expediëren
    • jullie expediëren
    • zij expediëren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik expedieerde
    • jij expedieerde
    • hij/zij/het expedieerde
    • wij expedieerden
    • jullie expedieerden
    • zij expedieerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geëxpedieerd
    • jij hebt geëxpedieerd
    • hij/zij/het heeft geëxpedieerd
    • wij hebben geëxpedieerd
    • jullie hebben geëxpedieerd
    • zij hebben geëxpedieerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geëxpedieerd
    • jij had geëxpedieerd
    • hij/zij/het had geëxpedieerd
    • wij hadden geëxpedieerd
    • jullie hadden geëxpedieerd
    • zij hadden geëxpedieerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal expediëren
    • jij zult expediëren
    • hij/zij/het zal expediëren
    • wij zullen expediëren
    • jullie zullen expediëren
    • zij zullen expediëren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geëxpedieerd hebben
    • jij zult geëxpedieerd hebben
    • hij/zij/het zal geëxpedieerd hebben
    • wij zullen geëxpedieerd hebben
    • jullie zullen geëxpedieerd hebben
    • zij zullen geëxpedieerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou expediëren
    • jij zou expediëren
    • hij/zij/het zou expediëren
    • wij zouden expediëren
    • jullie zouden expediëren
    • zij zouden expediëren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geëxpedieerd
    • jij zou hebben geëxpedieerd
    • hij/zij/het zou hebben geëxpedieerd
    • wij zouden hebben geëxpedieerd
    • jullie zouden hebben geëxpedieerd
    • zij zouden hebben geëxpedieerd
  • Imperatief

    • jij expedieer
    • jullie expedieert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van expediëren