Vervoeging van fluiten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik fluit
    • jij fluit
    • hij/zij/het fluit
    • wij fluiten
    • jullie fluiten
    • zij fluiten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik floot
    • jij floot
    • hij/zij/het floot
    • wij floten
    • jullie floten
    • zij floten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gefloten
    • jij hebt gefloten
    • hij/zij/het heeft gefloten
    • wij hebben gefloten
    • jullie hebben gefloten
    • zij hebben gefloten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gefloten
    • jij had gefloten
    • hij/zij/het had gefloten
    • wij hadden gefloten
    • jullie hadden gefloten
    • zij hadden gefloten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal fluiten
    • jij zult fluiten
    • hij/zij/het zal fluiten
    • wij zullen fluiten
    • jullie zullen fluiten
    • zij zullen fluiten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gefloten hebben
    • jij zult gefloten hebben
    • hij/zij/het zal gefloten hebben
    • wij zullen gefloten hebben
    • jullie zullen gefloten hebben
    • zij zullen gefloten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou fluiten
    • jij zou fluiten
    • hij/zij/het zou fluiten
    • wij zouden fluiten
    • jullie zouden fluiten
    • zij zouden fluiten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gefloten
    • jij zou hebben gefloten
    • hij/zij/het zou hebben gefloten
    • wij zouden hebben gefloten
    • jullie zouden hebben gefloten
    • zij zouden hebben gefloten
  • Imperatief

    • jij fluit
    • jullie fluit

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van fluiten