Vervoeging van gebaren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik gebaar
    • jij gebaart
    • hij/zij/het gebaart
    • wij gebaren
    • jullie gebaren
    • zij gebaren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik gebaarde
    • jij gebaarde
    • hij/zij/het gebaarde
    • wij gebaarden
    • jullie gebaarden
    • zij gebaarden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebaard
    • jij hebt gebaard
    • hij/zij/het heeft gebaard
    • wij hebben gebaard
    • jullie hebben gebaard
    • zij hebben gebaard
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebaard
    • jij had gebaard
    • hij/zij/het had gebaard
    • wij hadden gebaard
    • jullie hadden gebaard
    • zij hadden gebaard
  • Toekomende tijd I

    • ik zal gebaren
    • jij zult gebaren
    • hij/zij/het zal gebaren
    • wij zullen gebaren
    • jullie zullen gebaren
    • zij zullen gebaren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebaard hebben
    • jij zult gebaard hebben
    • hij/zij/het zal gebaard hebben
    • wij zullen gebaard hebben
    • jullie zullen gebaard hebben
    • zij zullen gebaard hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou gebaren
    • jij zou gebaren
    • hij/zij/het zou gebaren
    • wij zouden gebaren
    • jullie zouden gebaren
    • zij zouden gebaren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebaard
    • jij zou hebben gebaard
    • hij/zij/het zou hebben gebaard
    • wij zouden hebben gebaard
    • jullie zouden hebben gebaard
    • zij zouden hebben gebaard
  • Imperatief

    • jij gebaar
    • jullie gebaart

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van gebaren