Vervoeging van geven


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik geef
    • jij geeft
    • hij/zij/het geeft
    • wij geven
    • jullie geven
    • zij geven
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik gaf
    • jij gaf
    • hij/zij/het gaf
    • wij gaven
    • jullie gaven
    • zij gaven
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gegeven
    • jij hebt gegeven
    • hij/zij/het heeft gegeven
    • wij hebben gegeven
    • jullie hebben gegeven
    • zij hebben gegeven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gegeven
    • jij had gegeven
    • hij/zij/het had gegeven
    • wij hadden gegeven
    • jullie hadden gegeven
    • zij hadden gegeven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal geven
    • jij zult geven
    • hij/zij/het zal geven
    • wij zullen geven
    • jullie zullen geven
    • zij zullen geven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gegeven hebben
    • jij zult gegeven hebben
    • hij/zij/het zal gegeven hebben
    • wij zullen gegeven hebben
    • jullie zullen gegeven hebben
    • zij zullen gegeven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou geven
    • jij zou geven
    • hij/zij/het zou geven
    • wij zouden geven
    • jullie zouden geven
    • zij zouden geven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gegeven
    • jij zou hebben gegeven
    • hij/zij/het zou hebben gegeven
    • wij zouden hebben gegeven
    • jullie zouden hebben gegeven
    • zij zouden hebben gegeven
  • Imperatief

    • jij geef
    • jullie geeft

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van geven