Vervoeging van goedkeuren

Onbepaalde wijs (infinitief): goedkeuren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik keur goed
    • jij keurt goed
    • hij/zij/het keurt goed
    • wij keuren goed
    • jullie keuren goed
    • zij keuren goed
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik keurde goed
    • jij keurde goed
    • hij/zij/het keurde goed
    • wij keurden goed
    • jullie keurden goed
    • zij keurden goed
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb goedgekeurd
    • jij hebt goedgekeurd
    • hij/zij/het heeft goedgekeurd
    • wij hebben goedgekeurd
    • jullie hebben goedgekeurd
    • zij hebben goedgekeurd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had goedgekeurd
    • jij had goedgekeurd
    • hij/zij/het had goedgekeurd
    • wij hadden goedgekeurd
    • jullie hadden goedgekeurd
    • zij hadden goedgekeurd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal goedkeuren
    • jij zult goedkeuren
    • hij/zij/het zal goedkeuren
    • wij zullen goedkeuren
    • jullie zullen goedkeuren
    • zij zullen goedkeuren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal goedgekeurd hebben
    • jij zult goedgekeurd hebben
    • hij/zij/het zal goedgekeurd hebben
    • wij zullen goedgekeurd hebben
    • jullie zullen goedgekeurd hebben
    • zij zullen goedgekeurd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou goedkeuren
    • jij zou goedkeuren
    • hij/zij/het zou goedkeuren
    • wij zouden goedkeuren
    • jullie zouden goedkeuren
    • zij zouden goedkeuren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben goedgekeurd
    • jij zou hebben goedgekeurd
    • hij/zij/het zou hebben goedgekeurd
    • wij zouden hebben goedgekeurd
    • jullie zouden hebben goedgekeurd
    • zij zouden hebben goedgekeurd
  • Imperatief

    • jij keur goed
    • jullie keurt goed

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van goedkeuren