Vervoeging van goedvinden

Onbepaalde wijs (infinitief): goedvinden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik vind goed
    • jij vindt goed
    • hij/zij/het vindt goed
    • wij vinden goed
    • jullie vinden goed
    • zij vinden goed
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik vond goed
    • jij vond goed
    • hij/zij/het vond goed
    • wij vonden goed
    • jullie vonden goed
    • zij vonden goed
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb goedgevonden
    • jij hebt goedgevonden
    • hij/zij/het heeft goedgevonden
    • wij hebben goedgevonden
    • jullie hebben goedgevonden
    • zij hebben goedgevonden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had goedgevonden
    • jij had goedgevonden
    • hij/zij/het had goedgevonden
    • wij hadden goedgevonden
    • jullie hadden goedgevonden
    • zij hadden goedgevonden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal goedvinden
    • jij zult goedvinden
    • hij/zij/het zal goedvinden
    • wij zullen goedvinden
    • jullie zullen goedvinden
    • zij zullen goedvinden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal goedgevonden hebben
    • jij zult goedgevonden hebben
    • hij/zij/het zal goedgevonden hebben
    • wij zullen goedgevonden hebben
    • jullie zullen goedgevonden hebben
    • zij zullen goedgevonden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou goedvinden
    • jij zou goedvinden
    • hij/zij/het zou goedvinden
    • wij zouden goedvinden
    • jullie zouden goedvinden
    • zij zouden goedvinden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben goedgevonden
    • jij zou hebben goedgevonden
    • hij/zij/het zou hebben goedgevonden
    • wij zouden hebben goedgevonden
    • jullie zouden hebben goedgevonden
    • zij zouden hebben goedgevonden
  • Imperatief

    • jij vind goed
    • jullie vindt goed

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van goedvinden