Vervoeging van groeperen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik groepeer
    • jij groepeert
    • hij/zij/het groepeert
    • wij groeperen
    • jullie groeperen
    • zij groeperen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik groepeerde
    • jij groepeerde
    • hij/zij/het groepeerde
    • wij groepeerden
    • jullie groepeerden
    • zij groepeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gegroepeerd
    • jij hebt gegroepeerd
    • hij/zij/het heeft gegroepeerd
    • wij hebben gegroepeerd
    • jullie hebben gegroepeerd
    • zij hebben gegroepeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gegroepeerd
    • jij had gegroepeerd
    • hij/zij/het had gegroepeerd
    • wij hadden gegroepeerd
    • jullie hadden gegroepeerd
    • zij hadden gegroepeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal groeperen
    • jij zult groeperen
    • hij/zij/het zal groeperen
    • wij zullen groeperen
    • jullie zullen groeperen
    • zij zullen groeperen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gegroepeerd hebben
    • jij zult gegroepeerd hebben
    • hij/zij/het zal gegroepeerd hebben
    • wij zullen gegroepeerd hebben
    • jullie zullen gegroepeerd hebben
    • zij zullen gegroepeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou groeperen
    • jij zou groeperen
    • hij/zij/het zou groeperen
    • wij zouden groeperen
    • jullie zouden groeperen
    • zij zouden groeperen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gegroepeerd
    • jij zou hebben gegroepeerd
    • hij/zij/het zou hebben gegroepeerd
    • wij zouden hebben gegroepeerd
    • jullie zouden hebben gegroepeerd
    • zij zouden hebben gegroepeerd
  • Imperatief

    • jij groepeer
    • jullie groepeert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van groeperen