Vervoeging van hebben


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb
    • jij hebt
    • hij/zij/het heeft
    • wij hebben
    • jullie hebben
    • zij hebben
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik had
    • jij had
    • hij/zij/het had
    • wij hadden
    • jullie hadden
    • zij hadden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gehad
    • jij hebt gehad
    • hij/zij/het heeft gehad
    • wij hebben gehad
    • jullie hebben gehad
    • zij hebben gehad
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gehad
    • jij had gehad
    • hij/zij/het had gehad
    • wij hadden gehad
    • jullie hadden gehad
    • zij hadden gehad
  • Toekomende tijd I

    • ik zal hebben
    • jij zult hebben
    • hij/zij/het zal hebben
    • wij zullen hebben
    • jullie zullen hebben
    • zij zullen hebben
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gehad hebben
    • jij zult gehad hebben
    • hij/zij/het zal gehad hebben
    • wij zullen gehad hebben
    • jullie zullen gehad hebben
    • zij zullen gehad hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou hebben
    • jij zou hebben
    • hij/zij/het zou hebben
    • wij zouden hebben
    • jullie zouden hebben
    • zij zouden hebben
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gehad
    • jij zou hebben gehad
    • hij/zij/het zou hebben gehad
    • wij zouden hebben gehad
    • jullie zouden hebben gehad
    • zij zouden hebben gehad
  • Imperatief

    • jij heb
    • jullie hebt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van hebben