Vervoeging van hechten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik hecht
    • jij hecht
    • hij/zij/het hecht
    • wij hechten
    • jullie hechten
    • zij hechten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hechtte
    • jij hechtte
    • hij/zij/het hechtte
    • wij hechtten
    • jullie hechtten
    • zij hechtten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gehecht
    • jij hebt gehecht
    • hij/zij/het heeft gehecht
    • wij hebben gehecht
    • jullie hebben gehecht
    • zij hebben gehecht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gehecht
    • jij had gehecht
    • hij/zij/het had gehecht
    • wij hadden gehecht
    • jullie hadden gehecht
    • zij hadden gehecht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal hechten
    • jij zult hechten
    • hij/zij/het zal hechten
    • wij zullen hechten
    • jullie zullen hechten
    • zij zullen hechten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gehecht hebben
    • jij zult gehecht hebben
    • hij/zij/het zal gehecht hebben
    • wij zullen gehecht hebben
    • jullie zullen gehecht hebben
    • zij zullen gehecht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou hechten
    • jij zou hechten
    • hij/zij/het zou hechten
    • wij zouden hechten
    • jullie zouden hechten
    • zij zouden hechten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gehecht
    • jij zou hebben gehecht
    • hij/zij/het zou hebben gehecht
    • wij zouden hebben gehecht
    • jullie zouden hebben gehecht
    • zij zouden hebben gehecht
  • Imperatief

    • jij hecht
    • jullie hecht

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van hechten