Vervoeging van honoreren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik honoreer
    • jij honoreert
    • hij/zij/het honoreert
    • wij honoreren
    • jullie honoreren
    • zij honoreren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik honoreerde
    • jij honoreerde
    • hij/zij/het honoreerde
    • wij honoreerden
    • jullie honoreerden
    • zij honoreerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gehonoreerd
    • jij hebt gehonoreerd
    • hij/zij/het heeft gehonoreerd
    • wij hebben gehonoreerd
    • jullie hebben gehonoreerd
    • zij hebben gehonoreerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gehonoreerd
    • jij had gehonoreerd
    • hij/zij/het had gehonoreerd
    • wij hadden gehonoreerd
    • jullie hadden gehonoreerd
    • zij hadden gehonoreerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal honoreren
    • jij zult honoreren
    • hij/zij/het zal honoreren
    • wij zullen honoreren
    • jullie zullen honoreren
    • zij zullen honoreren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gehonoreerd hebben
    • jij zult gehonoreerd hebben
    • hij/zij/het zal gehonoreerd hebben
    • wij zullen gehonoreerd hebben
    • jullie zullen gehonoreerd hebben
    • zij zullen gehonoreerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou honoreren
    • jij zou honoreren
    • hij/zij/het zou honoreren
    • wij zouden honoreren
    • jullie zouden honoreren
    • zij zouden honoreren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gehonoreerd
    • jij zou hebben gehonoreerd
    • hij/zij/het zou hebben gehonoreerd
    • wij zouden hebben gehonoreerd
    • jullie zouden hebben gehonoreerd
    • zij zouden hebben gehonoreerd
  • Imperatief

    • jij honoreer
    • jullie honoreert

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van honoreren