Vervoeging van inlopen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik loop in
    • jij loopt in
    • hij/zij/het loopt in
    • wij lopen in
    • jullie lopen in
    • zij lopen in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik liep in
    • jij liep in
    • hij/zij/het liep in
    • wij liepen in
    • jullie liepen in
    • zij liepen in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingelopen
    • jij hebt ingelopen
    • hij/zij/het heeft ingelopen
    • wij hebben ingelopen
    • jullie hebben ingelopen
    • zij hebben ingelopen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingelopen
    • jij had ingelopen
    • hij/zij/het had ingelopen
    • wij hadden ingelopen
    • jullie hadden ingelopen
    • zij hadden ingelopen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal inlopen
    • jij zult inlopen
    • hij/zij/het zal inlopen
    • wij zullen inlopen
    • jullie zullen inlopen
    • zij zullen inlopen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingelopen hebben
    • jij zult ingelopen hebben
    • hij/zij/het zal ingelopen hebben
    • wij zullen ingelopen hebben
    • jullie zullen ingelopen hebben
    • zij zullen ingelopen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou inlopen
    • jij zou inlopen
    • hij/zij/het zou inlopen
    • wij zouden inlopen
    • jullie zouden inlopen
    • zij zouden inlopen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingelopen
    • jij zou hebben ingelopen
    • hij/zij/het zou hebben ingelopen
    • wij zouden hebben ingelopen
    • jullie zouden hebben ingelopen
    • zij zouden hebben ingelopen
  • Imperatief

    • jij loop in
    • jullie loopt in

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van inlopen