Vervoeging van installeren

Onbepaalde wijs (infinitief): installeren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik installeer
    • jij installeert
    • hij/zij/het installeert
    • wij installeren
    • jullie installeren
    • zij installeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik installeerde
    • jij installeerde
    • hij/zij/het installeerde
    • wij installeerden
    • jullie installeerden
    • zij installeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geïnstalleerd
    • jij hebt geïnstalleerd
    • hij/zij/het heeft geïnstalleerd
    • wij hebben geïnstalleerd
    • jullie hebben geïnstalleerd
    • zij hebben geïnstalleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geïnstalleerd
    • jij had geïnstalleerd
    • hij/zij/het had geïnstalleerd
    • wij hadden geïnstalleerd
    • jullie hadden geïnstalleerd
    • zij hadden geïnstalleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal installeren
    • jij zult installeren
    • hij/zij/het zal installeren
    • wij zullen installeren
    • jullie zullen installeren
    • zij zullen installeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geïnstalleerd hebben
    • jij zult geïnstalleerd hebben
    • hij/zij/het zal geïnstalleerd hebben
    • wij zullen geïnstalleerd hebben
    • jullie zullen geïnstalleerd hebben
    • zij zullen geïnstalleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou installeren
    • jij zou installeren
    • hij/zij/het zou installeren
    • wij zouden installeren
    • jullie zouden installeren
    • zij zouden installeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geïnstalleerd
    • jij zou hebben geïnstalleerd
    • hij/zij/het zou hebben geïnstalleerd
    • wij zouden hebben geïnstalleerd
    • jullie zouden hebben geïnstalleerd
    • zij zouden hebben geïnstalleerd
  • Imperatief

    • jij installeer
    • jullie installeert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van installeren