Vervoeging van klinken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik klink
    • jij klinkt
    • hij/zij/het klinkt
    • wij klinken
    • jullie klinken
    • zij klinken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik klonk
    • jij klonk
    • hij/zij/het klonk
    • wij klonken
    • jullie klonken
    • zij klonken
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geklonken
    • jij hebt geklonken
    • hij/zij/het heeft geklonken
    • wij hebben geklonken
    • jullie hebben geklonken
    • zij hebben geklonken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geklonken
    • jij had geklonken
    • hij/zij/het had geklonken
    • wij hadden geklonken
    • jullie hadden geklonken
    • zij hadden geklonken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal klinken
    • jij zult klinken
    • hij/zij/het zal klinken
    • wij zullen klinken
    • jullie zullen klinken
    • zij zullen klinken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geklonken hebben
    • jij zult geklonken hebben
    • hij/zij/het zal geklonken hebben
    • wij zullen geklonken hebben
    • jullie zullen geklonken hebben
    • zij zullen geklonken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou klinken
    • jij zou klinken
    • hij/zij/het zou klinken
    • wij zouden klinken
    • jullie zouden klinken
    • zij zouden klinken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geklonken
    • jij zou hebben geklonken
    • hij/zij/het zou hebben geklonken
    • wij zouden hebben geklonken
    • jullie zouden hebben geklonken
    • zij zouden hebben geklonken
  • Imperatief

    • jij klink
    • jullie klinkt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van klinken