Vervoeging van knikken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik knik
    • jij knikt
    • hij/zij/het knikt
    • wij knikken
    • jullie knikken
    • zij knikken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik knikte
    • jij knikte
    • hij/zij/het knikte
    • wij knikten
    • jullie knikten
    • zij knikten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geknikt
    • jij hebt geknikt
    • hij/zij/het heeft geknikt
    • wij hebben geknikt
    • jullie hebben geknikt
    • zij hebben geknikt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geknikt
    • jij had geknikt
    • hij/zij/het had geknikt
    • wij hadden geknikt
    • jullie hadden geknikt
    • zij hadden geknikt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal knikken
    • jij zult knikken
    • hij/zij/het zal knikken
    • wij zullen knikken
    • jullie zullen knikken
    • zij zullen knikken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geknikt hebben
    • jij zult geknikt hebben
    • hij/zij/het zal geknikt hebben
    • wij zullen geknikt hebben
    • jullie zullen geknikt hebben
    • zij zullen geknikt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou knikken
    • jij zou knikken
    • hij/zij/het zou knikken
    • wij zouden knikken
    • jullie zouden knikken
    • zij zouden knikken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geknikt
    • jij zou hebben geknikt
    • hij/zij/het zou hebben geknikt
    • wij zouden hebben geknikt
    • jullie zouden hebben geknikt
    • zij zouden hebben geknikt
  • Imperatief

    • jij knik
    • jullie knikt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van knikken