Vervoeging van koesteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik koester
    • jij koestert
    • hij/zij/het koestert
    • wij koesteren
    • jullie koesteren
    • zij koesteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik koesterde
    • jij koesterde
    • hij/zij/het koesterde
    • wij koesterden
    • jullie koesterden
    • zij koesterden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gekoesterd
    • jij hebt gekoesterd
    • hij/zij/het heeft gekoesterd
    • wij hebben gekoesterd
    • jullie hebben gekoesterd
    • zij hebben gekoesterd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gekoesterd
    • jij had gekoesterd
    • hij/zij/het had gekoesterd
    • wij hadden gekoesterd
    • jullie hadden gekoesterd
    • zij hadden gekoesterd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal koesteren
    • jij zult koesteren
    • hij/zij/het zal koesteren
    • wij zullen koesteren
    • jullie zullen koesteren
    • zij zullen koesteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekoesterd hebben
    • jij zult gekoesterd hebben
    • hij/zij/het zal gekoesterd hebben
    • wij zullen gekoesterd hebben
    • jullie zullen gekoesterd hebben
    • zij zullen gekoesterd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou koesteren
    • jij zou koesteren
    • hij/zij/het zou koesteren
    • wij zouden koesteren
    • jullie zouden koesteren
    • zij zouden koesteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gekoesterd
    • jij zou hebben gekoesterd
    • hij/zij/het zou hebben gekoesterd
    • wij zouden hebben gekoesterd
    • jullie zouden hebben gekoesterd
    • zij zouden hebben gekoesterd
  • Imperatief

    • jij koester
    • jullie koestert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van koesteren