Vervoeging van komen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kom
    • jij komt
    • hij/zij/het komt
    • wij komen
    • jullie komen
    • zij komen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kwam
    • jij kwam
    • hij/zij/het kwam
    • wij kwamen
    • jullie kwamen
    • zij kwamen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben gekomen
    • jij bent gekomen
    • hij/zij/het is gekomen
    • wij zijn gekomen
    • jullie zijn gekomen
    • zij zijn gekomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was gekomen
    • jij was gekomen
    • hij/zij/het was gekomen
    • wij waren gekomen
    • jullie waren gekomen
    • zij waren gekomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal komen
    • jij zult komen
    • hij/zij/het zal komen
    • wij zullen komen
    • jullie zullen komen
    • zij zullen komen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekomen zijn
    • jij zult gekomen zijn
    • hij/zij/het zal gekomen zijn
    • wij zullen gekomen zijn
    • jullie zullen gekomen zijn
    • zij zullen gekomen zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou komen
    • jij zou komen
    • hij/zij/het zou komen
    • wij zouden komen
    • jullie zouden komen
    • zij zouden komen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn gekomen
    • jij zou zijn gekomen
    • hij/zij/het zou zijn gekomen
    • wij zouden zijn gekomen
    • jullie zouden zijn gekomen
    • zij zouden zijn gekomen
  • Imperatief

    • jij kom
    • jullie komt

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van komen