Vervoeging van kraken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kraak
    • jij kraakt
    • hij/zij/het kraakt
    • wij kraken
    • jullie kraken
    • zij kraken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kraakte
    • jij kraakte
    • hij/zij/het kraakte
    • wij kraakten
    • jullie kraakten
    • zij kraakten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gekraakt
    • jij hebt gekraakt
    • hij/zij/het heeft gekraakt
    • wij hebben gekraakt
    • jullie hebben gekraakt
    • zij hebben gekraakt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gekraakt
    • jij had gekraakt
    • hij/zij/het had gekraakt
    • wij hadden gekraakt
    • jullie hadden gekraakt
    • zij hadden gekraakt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal kraken
    • jij zult kraken
    • hij/zij/het zal kraken
    • wij zullen kraken
    • jullie zullen kraken
    • zij zullen kraken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gekraakt hebben
    • jij zult gekraakt hebben
    • hij/zij/het zal gekraakt hebben
    • wij zullen gekraakt hebben
    • jullie zullen gekraakt hebben
    • zij zullen gekraakt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou kraken
    • jij zou kraken
    • hij/zij/het zou kraken
    • wij zouden kraken
    • jullie zouden kraken
    • zij zouden kraken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gekraakt
    • jij zou hebben gekraakt
    • hij/zij/het zou hebben gekraakt
    • wij zouden hebben gekraakt
    • jullie zouden hebben gekraakt
    • zij zouden hebben gekraakt
  • Imperatief

    • jij kraak
    • jullie kraakt

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van kraken