Vervoeging van landen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik land
    • jij landt
    • hij/zij/het landt
    • wij landen
    • jullie landen
    • zij landen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik landde
    • jij landde
    • hij/zij/het landde
    • wij landden
    • jullie landden
    • zij landden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geland
    • jij hebt geland
    • hij/zij/het heeft geland
    • wij hebben geland
    • jullie hebben geland
    • zij hebben geland
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geland
    • jij had geland
    • hij/zij/het had geland
    • wij hadden geland
    • jullie hadden geland
    • zij hadden geland
  • Toekomende tijd I

    • ik zal landen
    • jij zult landen
    • hij/zij/het zal landen
    • wij zullen landen
    • jullie zullen landen
    • zij zullen landen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geland hebben
    • jij zult geland hebben
    • hij/zij/het zal geland hebben
    • wij zullen geland hebben
    • jullie zullen geland hebben
    • zij zullen geland hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou landen
    • jij zou landen
    • hij/zij/het zou landen
    • wij zouden landen
    • jullie zouden landen
    • zij zouden landen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geland
    • jij zou hebben geland
    • hij/zij/het zou hebben geland
    • wij zouden hebben geland
    • jullie zouden hebben geland
    • zij zouden hebben geland
  • Imperatief

    • jij land
    • jullie landt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van landen