Vervoeging van laten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik laat
    • jij laat
    • hij/zij/het laat
    • wij laten
    • jullie laten
    • zij laten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik liet
    • jij liet
    • hij/zij/het liet
    • wij lieten
    • jullie lieten
    • zij lieten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gelaten
    • jij hebt gelaten
    • hij/zij/het heeft gelaten
    • wij hebben gelaten
    • jullie hebben gelaten
    • zij hebben gelaten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gelaten
    • jij had gelaten
    • hij/zij/het had gelaten
    • wij hadden gelaten
    • jullie hadden gelaten
    • zij hadden gelaten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal laten
    • jij zult laten
    • hij/zij/het zal laten
    • wij zullen laten
    • jullie zullen laten
    • zij zullen laten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gelaten hebben
    • jij zult gelaten hebben
    • hij/zij/het zal gelaten hebben
    • wij zullen gelaten hebben
    • jullie zullen gelaten hebben
    • zij zullen gelaten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou laten
    • jij zou laten
    • hij/zij/het zou laten
    • wij zouden laten
    • jullie zouden laten
    • zij zouden laten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gelaten
    • jij zou hebben gelaten
    • hij/zij/het zou hebben gelaten
    • wij zouden hebben gelaten
    • jullie zouden hebben gelaten
    • zij zouden hebben gelaten
  • Imperatief

    • jij laat
    • jullie laat

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van laten