Vervoeging van menen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik meen
    • jij meent
    • hij/zij/het meent
    • wij menen
    • jullie menen
    • zij menen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik meende
    • jij meende
    • hij/zij/het meende
    • wij meenden
    • jullie meenden
    • zij meenden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gemeend
    • jij hebt gemeend
    • hij/zij/het heeft gemeend
    • wij hebben gemeend
    • jullie hebben gemeend
    • zij hebben gemeend
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gemeend
    • jij had gemeend
    • hij/zij/het had gemeend
    • wij hadden gemeend
    • jullie hadden gemeend
    • zij hadden gemeend
  • Toekomende tijd I

    • ik zal menen
    • jij zult menen
    • hij/zij/het zal menen
    • wij zullen menen
    • jullie zullen menen
    • zij zullen menen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gemeend hebben
    • jij zult gemeend hebben
    • hij/zij/het zal gemeend hebben
    • wij zullen gemeend hebben
    • jullie zullen gemeend hebben
    • zij zullen gemeend hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou menen
    • jij zou menen
    • hij/zij/het zou menen
    • wij zouden menen
    • jullie zouden menen
    • zij zouden menen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gemeend
    • jij zou hebben gemeend
    • hij/zij/het zou hebben gemeend
    • wij zouden hebben gemeend
    • jullie zouden hebben gemeend
    • zij zouden hebben gemeend
  • Imperatief

    • jij meen
    • jullie meent

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van menen