Vervoeging van nalaten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik laat na
    • jij laat na
    • hij/zij/het laat na
    • wij laten na
    • jullie laten na
    • zij laten na
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik liet na
    • jij liet na
    • hij/zij/het liet na
    • wij lieten na
    • jullie lieten na
    • zij lieten na
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb nagelaten
    • jij hebt nagelaten
    • hij/zij/het heeft nagelaten
    • wij hebben nagelaten
    • jullie hebben nagelaten
    • zij hebben nagelaten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had nagelaten
    • jij had nagelaten
    • hij/zij/het had nagelaten
    • wij hadden nagelaten
    • jullie hadden nagelaten
    • zij hadden nagelaten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal nalaten
    • jij zult nalaten
    • hij/zij/het zal nalaten
    • wij zullen nalaten
    • jullie zullen nalaten
    • zij zullen nalaten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal nagelaten hebben
    • jij zult nagelaten hebben
    • hij/zij/het zal nagelaten hebben
    • wij zullen nagelaten hebben
    • jullie zullen nagelaten hebben
    • zij zullen nagelaten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou nalaten
    • jij zou nalaten
    • hij/zij/het zou nalaten
    • wij zouden nalaten
    • jullie zouden nalaten
    • zij zouden nalaten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben nagelaten
    • jij zou hebben nagelaten
    • hij/zij/het zou hebben nagelaten
    • wij zouden hebben nagelaten
    • jullie zouden hebben nagelaten
    • zij zouden hebben nagelaten
  • Imperatief

    • jij laat na
    • jullie laat na

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van nalaten