Vervoeging van ombuigen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik buig om
    • jij buigt om
    • hij/zij/het buigt om
    • wij buigen om
    • jullie buigen om
    • zij buigen om
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik boog om
    • jij boog om
    • hij/zij/het boog om
    • wij bogen om
    • jullie bogen om
    • zij bogen om
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omgebogen
    • jij hebt omgebogen
    • hij/zij/het heeft omgebogen
    • wij hebben omgebogen
    • jullie hebben omgebogen
    • zij hebben omgebogen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omgebogen
    • jij had omgebogen
    • hij/zij/het had omgebogen
    • wij hadden omgebogen
    • jullie hadden omgebogen
    • zij hadden omgebogen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ombuigen
    • jij zult ombuigen
    • hij/zij/het zal ombuigen
    • wij zullen ombuigen
    • jullie zullen ombuigen
    • zij zullen ombuigen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omgebogen hebben
    • jij zult omgebogen hebben
    • hij/zij/het zal omgebogen hebben
    • wij zullen omgebogen hebben
    • jullie zullen omgebogen hebben
    • zij zullen omgebogen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ombuigen
    • jij zou ombuigen
    • hij/zij/het zou ombuigen
    • wij zouden ombuigen
    • jullie zouden ombuigen
    • zij zouden ombuigen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omgebogen
    • jij zou hebben omgebogen
    • hij/zij/het zou hebben omgebogen
    • wij zouden hebben omgebogen
    • jullie zouden hebben omgebogen
    • zij zouden hebben omgebogen
  • Imperatief

    • jij buig om
    • jullie buigt om

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van ombuigen