Vervoeging van omzetten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik omzet
    • jij omzet
    • hij/zij/het omzet
    • wij omzetten
    • jullie omzetten
    • zij omzetten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik omzette
    • jij omzette
    • hij/zij/het omzette
    • wij omzetten
    • jullie omzetten
    • zij omzetten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb omzet
    • jij hebt omzet
    • hij/zij/het heeft omzet
    • wij hebben omzet
    • jullie hebben omzet
    • zij hebben omzet
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had omzet
    • jij had omzet
    • hij/zij/het had omzet
    • wij hadden omzet
    • jullie hadden omzet
    • zij hadden omzet
  • Toekomende tijd I

    • ik zal omzetten
    • jij zult omzetten
    • hij/zij/het zal omzetten
    • wij zullen omzetten
    • jullie zullen omzetten
    • zij zullen omzetten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal omzet hebben
    • jij zult omzet hebben
    • hij/zij/het zal omzet hebben
    • wij zullen omzet hebben
    • jullie zullen omzet hebben
    • zij zullen omzet hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou omzetten
    • jij zou omzetten
    • hij/zij/het zou omzetten
    • wij zouden omzetten
    • jullie zouden omzetten
    • zij zouden omzetten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben omzet
    • jij zou hebben omzet
    • hij/zij/het zou hebben omzet
    • wij zouden hebben omzet
    • jullie zouden hebben omzet
    • zij zouden hebben omzet
  • Imperatief

    • jij omzet
    • jullie omzet

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van omzetten