Vervoeging van ontslaan


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ontsla
    • jij ontslaat
    • hij/zij/het ontslaat
    • wij ontslaan
    • jullie ontslaan
    • zij ontslaan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ontsloeg
    • jij ontsloeg
    • hij/zij/het ontsloeg
    • wij ontsloegen
    • jullie ontsloegen
    • zij ontsloegen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ontslagen
    • jij hebt ontslagen
    • hij/zij/het heeft ontslagen
    • wij hebben ontslagen
    • jullie hebben ontslagen
    • zij hebben ontslagen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ontslagen
    • jij had ontslagen
    • hij/zij/het had ontslagen
    • wij hadden ontslagen
    • jullie hadden ontslagen
    • zij hadden ontslagen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ontslaan
    • jij zult ontslaan
    • hij/zij/het zal ontslaan
    • wij zullen ontslaan
    • jullie zullen ontslaan
    • zij zullen ontslaan
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ontslagen hebben
    • jij zult ontslagen hebben
    • hij/zij/het zal ontslagen hebben
    • wij zullen ontslagen hebben
    • jullie zullen ontslagen hebben
    • zij zullen ontslagen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ontslaan
    • jij zou ontslaan
    • hij/zij/het zou ontslaan
    • wij zouden ontslaan
    • jullie zouden ontslaan
    • zij zouden ontslaan
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ontslagen
    • jij zou hebben ontslagen
    • hij/zij/het zou hebben ontslagen
    • wij zouden hebben ontslagen
    • jullie zouden hebben ontslagen
    • zij zouden hebben ontslagen
  • Imperatief

    • jij ontsla
    • jullie ontslaat

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van ontslaan