Vervoeging van ontsnappen

Onbepaalde wijs (infinitief): ontsnappen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ontsnap
    • jij ontsnapt
    • hij/zij/het ontsnapt
    • wij ontsnappen
    • jullie ontsnappen
    • zij ontsnappen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ontsnapte
    • jij ontsnapte
    • hij/zij/het ontsnapte
    • wij ontsnapten
    • jullie ontsnapten
    • zij ontsnapten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben ontsnapt
    • jij bent ontsnapt
    • hij/zij/het is ontsnapt
    • wij zijn ontsnapt
    • jullie zijn ontsnapt
    • zij zijn ontsnapt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was ontsnapt
    • jij was ontsnapt
    • hij/zij/het was ontsnapt
    • wij waren ontsnapt
    • jullie waren ontsnapt
    • zij waren ontsnapt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ontsnappen
    • jij zult ontsnappen
    • hij/zij/het zal ontsnappen
    • wij zullen ontsnappen
    • jullie zullen ontsnappen
    • zij zullen ontsnappen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ontsnapt zijn
    • jij zult ontsnapt zijn
    • hij/zij/het zal ontsnapt zijn
    • wij zullen ontsnapt zijn
    • jullie zullen ontsnapt zijn
    • zij zullen ontsnapt zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou ontsnappen
    • jij zou ontsnappen
    • hij/zij/het zou ontsnappen
    • wij zouden ontsnappen
    • jullie zouden ontsnappen
    • zij zouden ontsnappen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn ontsnapt
    • jij zou zijn ontsnapt
    • hij/zij/het zou zijn ontsnapt
    • wij zouden zijn ontsnapt
    • jullie zouden zijn ontsnapt
    • zij zouden zijn ontsnapt
  • Imperatief

    • jij ontsnap
    • jullie ontsnapt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van ontsnappen