Vervoeging van ophopen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik hoop op
    • jij hoopt op
    • hij/zij/het hoopt op
    • wij hopen op
    • jullie hopen op
    • zij hopen op
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hoopte op
    • jij hoopte op
    • hij/zij/het hoopte op
    • wij hoopten op
    • jullie hoopten op
    • zij hoopten op
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb opgehoopt
    • jij hebt opgehoopt
    • hij/zij/het heeft opgehoopt
    • wij hebben opgehoopt
    • jullie hebben opgehoopt
    • zij hebben opgehoopt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had opgehoopt
    • jij had opgehoopt
    • hij/zij/het had opgehoopt
    • wij hadden opgehoopt
    • jullie hadden opgehoopt
    • zij hadden opgehoopt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ophopen
    • jij zult ophopen
    • hij/zij/het zal ophopen
    • wij zullen ophopen
    • jullie zullen ophopen
    • zij zullen ophopen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal opgehoopt hebben
    • jij zult opgehoopt hebben
    • hij/zij/het zal opgehoopt hebben
    • wij zullen opgehoopt hebben
    • jullie zullen opgehoopt hebben
    • zij zullen opgehoopt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ophopen
    • jij zou ophopen
    • hij/zij/het zou ophopen
    • wij zouden ophopen
    • jullie zouden ophopen
    • zij zouden ophopen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben opgehoopt
    • jij zou hebben opgehoopt
    • hij/zij/het zou hebben opgehoopt
    • wij zouden hebben opgehoopt
    • jullie zouden hebben opgehoopt
    • zij zouden hebben opgehoopt
  • Imperatief

    • jij hoop op
    • jullie hoopt op

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van ophopen